Toespraak
opening tentoonstelling Drie Generaties Creatieve Vrouwen
door Elisabeth van Heiningen
2 december 2006 Overschie
Het is voorjaar 1991 en ik ga op bezoek bij Annie Augusteijn. Bij het hek op de Schiekade besluit ik, dat ik deze keer de auto maar boven aan de dijk laat staan, want ik heb redelijk stevige schoenen aan. Dat betekent: het piepende klaphek door, het smalle weggetje af en hopen dat de koeien die in de weg staan uit zichzelf opzij zullen gaan.
Het volgende klaphek door en daar staat dan Annie, mijn tante Annie. Want zij heeft me natuurlijk zien aankomen en komt steevast naar buiten om je te begroeten. Dan volgt het vaste ritueel: Tas wegzetten en vervolgens eerst een rondje door de tuin. Ze vertelt verrukt over de eerste bloeiende bollen, de enkelvoudige narcissen, van zo’n oud ras dat ze bijna nergens meer te vinden zijn, over de bloeiende bomen, de uilen die er weer terug zijn in de hoge boom voor de deur, de cactussen in het atelier, over kleuren, over vormen en hoe goed het gaat met de composthoop. De tuin is haar leven. Een zelf geschapen paradijsje van hoog opgaand groen en veel, heel veel bloemen; een enclave temidden van weilanden en sloten, rondom het houten huis dat Annie Iburg en haar echtgenoot Jo Augusteijn in 1934 midden in de vlakke polder lieten bouwen.
In verband met gemeentelijke plannen wordt het huis al in 1955 onteigend en dat zet haar aan het schilderen met olieverf. Vastleggen wat haar lief is, zo lang het nog kan. Ze zal er nadien nog bijna 40 jaar wonen. En het huis staat er nog.
Ik vind het heerlijk om met haar te praten, want ze is bevlogen en bescheiden. En dat zie ik terug in haar schilderijen. Het aanvankelijk aarzelende zoeken naar de expressieve mogelijkheden van verf in de late jaren ’50, naar zekerder vormen. Want hoe breng je op doek over, wat jou zo verrukt. Een verstild besneeuwd landschap, een wilde bos witte margrieten, de voortuin met bloemen rond het gazon in hartje zomer, en de bomen, die haar nooit verveelden. Veel groen, vaak hard groen, want zo intens beleefde zij de kleuren.
En welke invloed had zo’n omgeving op haar kinderen en kleinkinderen? Ik hoef u het antwoord niet te geven. Kijk om u heen.
Eric, oudste van de twee kinderen, werd meer geïnspireerd door de prachtige verhalen die zijn vader wist te vertellen. Hij vertaalde die tot striptekeningen. Ilse daarentegen zocht het in kleur. Ze erfde van haar moeder een grote liefde voor de natuur, maar haar palet is beduidend ingetogener. Zij bedient zich bij voorkeur van de aquareltechniek, die beter bij haar past. U vindt hier een paar voorbeelden van haar werk, dat bij lange na niet zo omvangrijk is als dat van Annie.
En zo komen we bij de jonge generatie. Magda, dochter van Eric en opgegroeid op Schiermonnikoog, betoonde zich een echte Augusteijn en ging naar de Academie voor beeldende kunsten, in Breda. Het eerste jaar daar mocht zij kennis maken met de vrije expressie in de kunst. Veel produceren in een hoog tempo, veel vrijheid, en vooral niet pietepeuteren; het grote gebaar.