Volgens de theorie van de Griekse filosoof Plato (428 – 347 voor C.) zijn er twee werelden. De wereld van de schaduwen (waar wij in leven) en de werkelijke wereld die volmaakt en onveranderlijk is.
Hij schetst een beeld van vastgeketende mensen die in een grot zitten. Ze zijn zo geketend dat ze maar één richting op kunnen kijken: in de donkere spelonken van de grot. Buiten de grot bewegen figuren waarvan de schaduwen in de grot te zien zijn. De vastgeketenden zien de schaduwen en omdat ze niks anders kunnen zien dan dat, denken ze dat dat de totale werkelijkheid is.
Maar volgens Plato is er meer. Er is nog een hele wereld buiten de grot die op een hoger plan staat dan de wereld in de grot. De wereld buiten de grot is namelijk de wereld van essentiële begrippen en volmaakte vormen. Begrippen als “rechtvaardigheid”, “schoonheid” en “moed”, maar ook de vorm van een cirkel of een vierkant zijn in deze hogere wereld volmaakt en onveranderlijk. Van alles wat er in onze wereld bestaat, bestaat elders ook een archetype of een oervorm. Als je het woord “tafel” leest zonder dat het over een specifieke tafel gaat en zonder dat er een afbeelding bij is geplaatst, verschijnt er in ieders voorstellingsvermogen een tafel. “We zien” een tafel; een blad met 4 poten. De poten onder het blad hebben een bepaalde afstand tot elkaar en er is een bepaalde verhouding tussen die afstanden en de lengte van de poten. We zien ‘de oervorm’ van een tafel. En zo is er van alles wat er bestaat een oervorm die volmaakt en onveranderlijk is. Net als de navolgers van Pythagoras geloofde Plato dat de kosmos was geordend volgens de fundamentele ideeën van getallen en geometrie.
De materiële wereld (waarin wij leven) is gestoeld op deze perfecte wereld, maar is niet bruikbaar voor ons om “de waarheid” te kunnen zien. Wij zien slechts een afgevlakte en vervormde versie van de grotere, volmaakte werkelijkheid. Alleen door rationeel nadenken, ofwel “de rede” kan men inzicht krijgen in deze hogere realiteit.
Plato stond op de drempel van een nieuwe tijd waarin het wereldbeeld drastisch anders zou worden dan ooit daarvoor was geweest. Vóór Plato was het algemeen geaccepteerde idee over hoe de wereld en de mensheid functioneert gebaseerd op geesten, goden en wonderen. Men baseerde de ideeën over het leven op ervaring en gevoel. Plato’s filosofische begrip kan worden beschouwd als de rationele vertaling van de oeroude mythische veronderstelling dat elk voorwerp en elke gebeurtenis op aarde zijn goddelijke tegenhanger heeft in de hemelse sferen.
In het westers wereldbeeld bestaat de perfecte wereld van oervormen alleen in ons abstracte voorstellingsvermogen. Abstraheren van de werkelijkheid is voor ons een hulpmiddel om te kunnen categoriseren of om grip te krijgen op ingewikkelde problemen. Vanuit onze perceptie is dat geen werkelijkheid zoals Plato dat waarschijnlijk wel bedoelde. Voor Plato was deze perfecte wereld juist de meest zuivere werkelijkheid. En hij vond dat het staatshoofd inzicht moest hebben in deze zuivere werkelijkheid.
En wat heeft dit alles nou te betekenen voor bovenstaande foto?
Wie het weet mag het zeggen.